Dutch Blog

Last updated: 12 maart, 2017

Opvoeding&Wetenschap volgt kritisch de ontwikkelingen in het onderzoek naar kinderen en jeugdigen, opvoeding en onderwijs, en hoe over dit onderzoek wordt bericht in de media. Website:www.opvoeding-wetenschap.nl

Logo O&W

                                    Kinderen overnachten bij gescheiden ouders?

Datum: 12 maart, 2017.

Onlangs publiceerde de Staatscommissie Herijking Ouderschap een vuistdik rapport over nieuwe gezinsvormen en hoe die zouden moeten worden ingebed in juridische kaders: Kind en ouders in de 21ste eeuw. Rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap. Den Haag, December 2016

Kind en ouders in de 21ste eeuw

Kind+en+ouders+in+de+21ste+eeuw+samenvatting

Steeds meer kinderen krijgen door scheiding en hertrouwen van hun ‘biologische’ ouders te maken met 4 ouders (en 8 grootouders). Donorinseminatie, draagmoederschap of in vitro bevruchting leiden mogelijk tot betrokkenheid van meer dan 2 personen bij de opvoeding van de kinderen.

Het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht publiceert binnenkort een themanummer over dit rapport. Daarin verschijnt ook mijn notitie Herijking ouderschap pedagogisch belicht. In de notitie bespreek ik vooral het voorstel van de Staatscommissie om het maximum aantal juridische (co-)ouders uit te breiden van twee naar vier personen, met een maximum aantal van twee huishoudens waartussen het kind zich heen en weer kan bewegen.

Over die twee huishoudens woeden in de rechtszalen van de Verenigde Staten van Amerika veel debatten en harde confrontaties tussen gescheiden ouders. Het gaat dan over het recht van de gescheiden co-ouder om het kind te laten overnachten, bijvoorbeeld gedurende een (lang) weekend. In juli 2011 verscheen een themanummer van de Family Court Review onder redactie van McIntosh over deze vraag in het bredere verband van familie- en jeugdrecht. McIntosh interviewde onderzoekers over de gevolgen van (v)echtscheiding vanuit het perspectief van gehechtheid. Lamb reageerde een jaar later in hetzelfde tijdschrift furieus op de eenzijdige kritische benadering van rechten van co-ouders door McIntosh. Hij sprak van een verknoeide kans op een vruchtbare verbinding tussen onderzoek naar gehechtheid en de juridische praktijk rond echtscheiding.

Lamb 2012 FCRP_A Wasted Opportunity to Engage with the Literature on the Implications of Attachment Research for Family Court Professionals

Opvallend is dat tegenstanders van overnachten bij de co-ouder zich soms beroepen op onze studie naar kibboetsen waaruit zou blijken hoe schadelijk elders -weg van de primaire ouder- overnachten is voor jonge kinderen. Maar in die studie ging het over collectief overnachten in een traditioneel type ‘communale’ kibboets waarbij baby’s zonder hun ouders in een gemeenschappelijke slaapzaal de nacht moesten doorbrengen, via intercom bewaakt door wisselende toezichthouders.

Aviezer, Van IJzendoorn, Sagi, et al (1994). Psychological Bulletin. Collective early childcare, kibbutzim

Dat is schadelijk voor de ontwikkeling van het kind, en laat het pedagogische belang zien van de ouderlijke zorg voor jonge kinderen tijdens de nacht. Maar collectief overnachten is natuurlijk volstrekt onvergelijkbaar met de situatie die na scheiding van co-ouders ontstaat.

Het is ook opvallend hoe weinig onderzoek is uitgevoerd naar overnachten bij een gescheiden co-ouder. De enige studie naar gehechtheid en overnachten bij de co-ouder werd al weer jaren geleden uitgevoerd door Solomon en George (1999) in de Verenigde Staten. Ze vergeleken ‘intacte’ gezinnen met gezinnen van gescheiden ouders die al dan niet een co-ouderschapsarrangement hadden met overnachtingen.

Solomon and George 1999 AHD_The development of attachment in separated and divorced families Effects of overnight visitation parent and couple variables

De onderzoekers concludeerden dat overnachten bij de co-ouder schadelijk was voor de band met de primaire ouder, en die conclusie is voor rechters en juristen vaak richtinggevend in hun pleidooien en beslissingen, zo blijkt uit de discussies in de Family Court Review.

De conclusie is echter onjuist omdat de auteurs de verkeerde groepen met elkaar hebben vergeleken. De enige vergelijking die antwoord geeft op de vraag naar overnachten is die tussen gescheiden ouders met of zonder overnachtingsarrangement. En voor die vergelijking vond ik bij statistische heranalyse van de gegevens geen significant verschil in de kwaliteit van de gehechtheidsrelaties.

solomon & george 1999 overnachten heranalyse

In de groep kinderen zonder overnachten bij de co-ouder zijn er wat meer veilige en wat minder angstig-gedesorganiseerde gehechtheidsrelaties (de rode staafjes) maar dit verschil met de groep die wel bij de co-ouder overnacht is statistisch niet significant (exacte p=waarde is .08). Dus bij andere steekproeven zullen we waarschijnlijk geen verschil vinden. Het zou wel goed zijn als dit onderzoek wordt gerepliceerd bijna 20 jaar later, en ook in Nederland. Historische veranderingen en sociaal-culturele context kunnen tot andere bevindingen leiden.

Schrijnend is het gebrek aan empirisch onderzoek naar vragen waarmee de praktijk van familie- en jeugdrecht dagelijks te maken heeft en waarbij jaarlijks duizenden kinderen betrokken zijn.

                                    Kinderen leren sparen?

Datum: 26 februari, 2017.

Een paar weken geleden stelde de NRC journalist Alex van der Hulst me de vraag hoe kinderen leren sparen. Daarover is erg weinig wetenschappelijk onderzoek voorhanden. Sparen hangt misschien samen met uitstel van behoeftebevrediging en het bredere concept van gedragscontrole.

En in één klap was het spaargeld op – NRC Handelsblad – Blendle

Gedragscontrole onderzoeken we in het Leidse Consortium Individual Development (L-CID) onder andere met de beroemde Marshmallow test van Walter Mischel. Kortweg bestaat de test uit iets lekkers dat op tafel onder de neus van het kind wordt gezet. De proefleider zegt tegen het kind dat het dat lekkers meteen mag opeten. Maar het kan ook wachten met snoepen en als beloning voor het geduld belooft de proefleider een verdubbeling van het lekkers. Dan laat de proefleider het kind alleen achter in de kamer met het lekkers.

marshmallow test

Ongeveer een kwart van de kleuters blijkt pakweg 10 minuten geduld te kunnen oefenen en dan te genieten van de dubbele portie. Geduld is een opgave. Sommige kinderen gaan op hun handen zitten om maar niet met hun vingers aan het lekkers te komen. Andere kinderen turen in de lucht, en leiden zichzelf af met verhaaltjes. Mischel laat zien dat de geduldige kinderen die over veel gedragscontrole beschikken, in de volwassenheid –zelfs 40 jaar na de Marshmallow test- op alle fronten beter functioneren. Ze hebben vaker een hogere opleiding en werk, zijn minder vaak in aanraking geweest met justitie en zijn zelfs gezonder.

boekomslag mischel marshmallow test

mischel et al 2011 scan marshmallow test delay of gratification

Sparen heeft te maken met opzouten van iets aantrekkelijks dat je direkt zou kunnen aanschaffen. Uitstel van een aankoop betekent dat je in de toekomst misschien wel iets veel leukers of mooiers kunt kopen (ook al verdubbelt het spaargeld bij de huidige rentestand niet zo snel). Kinderen leren sparen doordat ze zich moeten inspannen voor het geld, en doordat ze hun ouders zien sparen, zo blijkt uit een grootschalig Brits onderzoek.

brown 2016 savings british panel study

De vraag is in hoeverre erfelijkheid een rol speelt en op welke wijze het samenspel van genen en omgeving de gedragscontrole en daarmee mogelijk ook de spaarzin bij kinderen kan bevorderen. Dat is een centraal thema in L-CID waarin ouders en hun tweelingen deelnemen.

                                    Boosheid in de opvoeding

Datum: 25 februari, 2017.

Op initiatief van Tim van Opijnen en Mark Geels heeft Anton Corbijn aan 101 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars de vraag gesteld: “waar verzet je je tegen?” Die vraag moest in kort bestek worden beantwoord. Hoewel de verleiding groot was heb ik het vitriool toch nog maar even onder de schroefdop gehouden, en een rijkelijk met oxytocine besproeid verhaaltje over boosheid in de opvoeding geschreven. Dat volgt hieronder.

Waar verzet jij je tegen?
101 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars geven antwoord op de
vraag van Anton Corbijn. Geredigeerd door Mark Geels en Tim van Opijnen, gepubliceerd door Maven Publishing B.V., Amsterdam

boekomslag: waar verzet jij je tegen

‘Met mijn zusje had ik altijd ruzie. Ik herinner me dat, zij stond echt altijd te sarren en ik gaf haar dan een hengst en dan was het schreeuwen en dan kreeg ik op m’n donder natuurlijk. (…) En ik kreeg ook altijd de schuld en dat is nog steeds zo, dat willen ze ook nog steeds niet toegeven… Mijn zusje werd voorgetrokken. Als we het erover hebben, dan willen ze dat nog niet erkennen. “Dat is gewoon niet waar. Zij werd niet voorgetrokken. Dat is niet zo.” Nou, dat is wél waar.’

Aan het woord is een moeder in een interview over haar ouders en de opvoeding die ze in haar jeugd had gekregen, of liever gezegd: had moeten ondergaan. Wat opvalt aan dit fragment is niet zozeer de inhoud, maar de vorm waarin ze haar belevenissen giet. Die vorm verraadt haar boosheid, op haar zusje en op haar ouders. Ze voert in het interview een boze schijndialoog met de onrechtvaardige ouders die maar niet willen begrijpen en erkennen hoezeer zij werd achtergesteld. In de korte zinnen is de woede voelbaar aanwezig – zelfs tot ruim in de volwassenheid.

Woede is een slechte raadgever in de omgang met je kinderen, en we moeten dan ook met alle mogelijke middelen proberen woe- de van ouders in de opvoeding te temperen. De boze ouder wil met alle geweld de vermeende fouten van de ouders vermijden in de opvoeding van de eigen kinderen. Dat leidt tot geforceerd onderdrukken van opkomende boosheid, en woedende uitvallen naar de kinderen als de maat vol is. Zo blijkt meer dan 6 procent van de jonge ouders binnen zes maanden na de geboorte hun baby al te slaan, hevig te schudden of letterlijk de mond te snoeren als hij maar niet wil ophouden met huilen.

Wie nachtenlang met een huilende baby heeft doorgebracht weet dat je het kind dan achter het behang zou willen plakken. Sommige ouders hebben een korter lontje en zijn eerder geneigd het huilen hardhandig te stoppen dan andere ouders, die hun woede beter onder controle hebben. Dat verschil zit diep onder de huid verankerd in onze biologische bagage. Promovenda Madelon Riem vond in een studie naar reacties op huilgeluiden van baby’s dat onveilig gehechte proefpersonen met boosheid over hun eigen ouders agressiever gedrag lieten zien bij het knijpen in een handknijper, een fitnessapparaat met nauwkeurige sensoren voor de kracht die erop wordt uitgeoefend. Bovendien was in een fMRI-scanner verhoogde activiteit te zien in de amygdala, een diepgelegen gebied in de hersenen dat in eerder onderzoek actief bleek te worden als proefpersonen akelige of angstaanjagende foto’s zagen.

oxytocine molecuul

Hoe kunnen we deze ingebakken boosheid van sommige jonge ouders tegenover hun baby’s bestrijden? Een snufje oxytocine kan hier misschien de rol van mother’s little helper (Rolling Stones) vervullen. Oxytocine wordt wel het ‘liefdeshormoon’ genoemd, maar is vooral bekend geworden als hulp bij een moeizame bevalling of stagnerende borstvoeding. De productie van oxytocine is overigens zeker geen privilege van vrouwen, want het is ook werkzaam in mannen. Aan oxytocine worden nogal wat goede eigenschappen toegeschreven, waaronder het bevorderen van gevoelens van empathie voor de eigen groepsgenoten of kinderen en ook een ontspannend effect. Een orgasme schijnt met een flinke piek in de productie van oxytocine gepaard te gaan.

Misschien is dit alles een wat te romantisch en rooskleurig beeld van het hormoon, en er zijn aanwijzingen dat het ook agressie tegen buitenstaanders kan vergroten. Feit is wel dat het in staat is om de activiteit van de amygdala te remmen. Proefpersonen die oxytocine door de neus inhaleren reageren minder geagiteerd op het huilen van een baby dan wanneer ze een placebo hebben gesnoven. Ze worden trouwens ook wat vrijgeviger en empathischer, dus misschien wel betere mensen.

Moeten we iedere jonge ouder met een huilende baby dan maar aanraden de vroege ochtend te beginnen met een snufje oxytocine? Het lijkt het me een slechte zaak om woede bij ouders te bestrijden met een medicijn, zelfs als het een lichaamseigen stof is die tot voor kort zonder recept bij de drogist kon worden opgehaald. En het is een nog onbeantwoorde vraag of oxytocine wel bij iedereen even effectief is.

oxytocin love

Het niveau van oxytocine kunnen we misschien ook minder kunstmatig en op een plezieriger manier verhogen. Bij massages ziet zowel de gevende als de ontvangende partij haar oxytocineniveau stijgen. Babymassage is al tamelijk wijdverbreid, zeker voor prematuur geboren kinderen. Maar ook de ouders kunnen zelf baat hebben bij massage om de boosheid de baas te worden en het gezins- en samenleven wat aangenamer te maken. Dus laten we massage in de strijd gooien tegen boosheid van ouders die zich in hun eigen jeugd slecht behandeld hebben gevoeld, en zo de heilloze cirkel van overdracht van boosheid over generaties heen helpen doorbreken.

                                    RSJ advies over adoptie: kritische kanttekening

Datum: 10 december, 2016.

Stop met interlandelijke adoptie, adviseert de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Tegen die stelling zijn Femmie Juffer en ik in de pen geklommen en het resultaat daarvan is in verkorte vorm in de Volkskrant gepubliceerd:

volkskrant-brief-over-rsj-adoptie-advies

Op dezelfde pagina stond een mooi ingezonden schrijven van een middelbare scholiere die uit China was geadopteerd en zich enigszins verbaasd toont over de nogal forse kritiek van de Raad op interlandelijke adoptie:

wen-xin-van-der-linden-over-rsj-adoptie-advies

Hieronder volgt de onverkorte versie van onze ingezonden brief aan De Volkskrant:

Adoptie-advies RSJ mist deugdelijke onderbouwing.

Stop met interlandelijke adoptie, adviseert de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Binnenkort buigt de Tweede Kamer zich over dit ongewoon stellige advies. Zo’n rabiaat advies moet wel bijzonder stevig gefundeerd zijn. Helaas is dat niet het geval.

Nederland heeft het Haags Adoptieverdrag ondertekend waarin staat dat interlandelijke adoptie een laatste redmiddel is voor kinderen die anders in een kindertehuis zouden moeten opgroeien. Opgroeien in een tehuis is buitengewoon schadelijk voor kinderen, zo hebben talloze studies inmiddels overtuigend aangetoond. Alle ontwikkelingsgebieden worden getroffen: hersengroei, lichamelijke groei, gehechtheid, intelligentie en schoolprestaties, en sociaal-emotioneel functioneren. Ook onze Leidse studies in kindertehuizen in Griekenland, Oekraïne en India lieten enorme achterstanden bij de kinderen zien. Kinderen zijn echt veel beter af in een gezin.

Maar helaas is nog niet voor elk kind in eigen land een (pleeg- of adoptie-) gezin beschikbaar. In dat geval is interlandelijke adoptie de enige kindwaardige optie want het is een bewezen effectieve maatregel. Vergeleken met kinderen die moeten achterblijven in een tehuis zijn interlandelijk geadopteerden veel beter af. In meta-analyses van honderden studies naar het wel en wee van adoptiekinderen hebben we onomstotelijk kunnen vaststellen dat interlandelijk geadopteerde kinderen een verrassend grote inhaalslag maken op alle terreinen van de ontwikkeling, inclusief gebieden die doorgaans als vooral genetisch bepaald worden beschouwd, zoals IQ en lengtegroei. Bij een relatief kleine minderheid lukt die inhaalslag niet of niet zo snel als gewenst, maar dat mag niet de beeldvorming voor alle interlandelijke adopties bepalen.

Problemen met gehechtheid.

De Raad beschouwt het risico op problemen met gehechtheid als een sterk pedagogisch argument tegen interlandelijke adoptie. Adoptie zou de ontwikkeling van een veilige gehechtheid verstoren en zo de toekomstige relatie- en identiteitsontwikkeling van een kind schaden. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het omgekeerde het geval is: verwaarlozing en mishandeling in kindertehuizen veroorzaken ernstige problemen met gehechtheid, terwijl plaatsing in een adoptie- of pleeggezin gehechtheidsproblemen juist doet verminderen. Dat geldt voor de groep als totaal, en er zijn natuurlijk schrijnende uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld doordat kinderen te vaak van pleeggezin naar pleeggezin worden overgeplaatst.

Aanzuigende en ondermijnende werking.

Twee sociaal-politieke argumenten van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming staan centraal als het gaat over het adoptiebeleid, en de vraag is of de Raad daarmee niet haar boekje te buiten gaat. Ten eerste zou interlandelijke adoptie een ‘aanzuigende werking’ hebben, dus de vraag naar adoptiekinderen in Westerse landen zou het aanbod van potentiële adoptiekinderen uit arme landen verhogen. Ten tweede staat internationale adoptie de opbouw van jeugdzorg voor kinderen en hun gezin in het land van herkomst in de weg. Sterker nog: adoptie zou de plaatselijke jeugdbescherming zelfs ondermijnen en zorgen voor exponentiële groei van het aantal weeshuizen.

Maar de Raad is niet in staat deze argumenten met wetenschappelijke bevindingen te ondersteunen. We hebben elders (http://www.opvoeding-wetenschap.nl/2016/11/03/is-kind-buitenland-halen-nog-tijd/) laten zien dat de Raad naar studies verwijst die geen enkele kwantitatieve onderbouwing geven aan de beweringen over aanzuigende marktwerking van adoptie. De argumentatie is ook niet plausibel. Het aantal wereldwijd internationaal geadopteerde kinderen over de jaren 2004-2016 is recent geschat op in totaal 331.567 adoptiekinderen. Alleen al Oekraïne telde in 2016 bijna 800 weeshuizen, met meer dan 100.000 kinderen. De in totaal 561 kinderen uit Oekraïne die in 2014 interlandelijk zijn geadopteerd (Selman, 2016) vallen hierbij totaal in het niet. En deze getalsverhoudingen zijn een goede afspiegeling van de verhoudingen wereldwijd. Een verdenking van aanzuigende of ondermijnende werking kent te veel gewicht toe aan zulke kleine aantallen.

Er zijn geen wetenschappelijke aanwijzingen dat interlandelijke adoptie een causale rol speelt in de groei van het aantal weeshuizen of in het wegkwijnen van lokale jeugdzorg. Dit betekent niet dat die negatieve effecten van adoptie er niet kunnen zijn, het betekent wel dat een gezaghebbende Raad die deze boude beweringen doet, mag worden gehouden aan de verplichting deugdelijk bewijsmateriaal te overleggen. Of anders een toontje lager te zingen, en meer terughoudend te adviseren.

De Westerse grenzen dichtgooien voor tehuiskinderen uit andere landen is als het optrekken van een IJzeren Gordijn tegen vluchtelingen uit oorlogsgebieden: in beide gevallen vermindert de malaise van de slachtoffers niet, hoewel we allemaal hopen dat zowel kindertehuizen als oorlogsellende spoedig tot het verleden zullen behoren – een geruststellende wensdroom.

Femmie Juffer
Rien van IJzendoorn.

                                    Thomson Reuters 2016 meest geciteerde wetenschappers

Datum: 09 december, 2016

Zes wetenschappers van de Universiteit Leiden worden door Thomson Reuters vermeld in de 2016 lijst van ‘Highly Cited Researchers’, gelijk verdeeld over de Faculteit Geneeskunde/LUMC, de Faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen, en de Faculteit Sociale Wetenschappen. Die lijst bestaat uit meer dan 3000 onderzoekers verdeeld over 21 wetenschapsgebieden. Per wetenschapsgebied is vastgesteld hoeveel onderzoekers erin werkzaam zijn, en is het aantal invloedrijke artikelen geïnventariseerd (de top 1% geciteerde papers). De onderzoekers met de meeste artikelen in de top 1% in de jaren 2004-2014 zijn voor de 2016 lijst geselecteerd.

http://hcr.stateofinnovation.thomsonreuters.com/

Ranglijstjes vaststellen is een aardig gezelschapsspel, vooral populair tegen het eind van het jaar. Maar deze lijst van ‘highly cited researchers’ heeft ook echte gevolgen voor de betrokken universiteiten; zo is de Shanghai ranglijst van universiteiten voor 20% gebaseerd op het aantal meest geciteerde onderzoekers. Geen wonder dat de King Saud University voor veel geld onderzoekers uit de Thomson Reuters lijst probeert aan te trekken (zie blog 29 oktober 2016). Voor studenten uit landen als China, Indonesië, Chili, et cetera, is de ranglijst van universiteiten doorslaggevend bij hun beslissing aan welke buitenlandse universiteit ze kunnen gaan studeren of promoveren: hun beurs is volledig afhankelijk van de vraag of een universiteit hoog genoeg in de rangorde prijkt.

wim-jiskoot-highly-cited-researcher-leiden-university

Met 6 namen in de Thomson Reuters lijst blijft Leiden achter bij de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit, Universiteit Utrecht, en de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2001 was Leiden nog met 15 namen vertegenwoordigd, en de Erasmus Universiteit met 9 onderzoekers, maar die verhouding is nu drastisch omgekeerd: de Erasmus Universiteit scoort in 2016 met 25 onderzoekers in de lijst veel hoger dan Leiden dat langzaam wegzakt naar een plek buiten de top-100.

Hopelijk een tijdelijk dipje voor de oudste universiteit van Nederland.

                                    Transfermarkt voor wetenschappers

Datum: 29 oktober, 2016.
Dit is niet een bericht over een hoax; dezelfde emails ontvingen enige tijd geleden twee Amerikaanse collega’s. Zij reageerden positief op het verzoek en ontvingen inderdaad enkele jaren het riante bedrag van 75,000 dollar per jaar voor tweemaal twee weken werkbezoek aan Saudi-Arabia. Een van de collega’s was niet in staat het land te bezoeken maar zag toch het honorarium op zijn (persoonlijke) rekening gestort.

king-saud-university-invitation

Hieronder is de link naar het complete email bericht.

king-saud-collaboration-with-your-research-group

Waarom zou je het aanbod accepteren of weigeren? Een lastige vraag waarover in het verleden voetbaltrainers als Bert van Marwijk hun hoofd hebben gebroken. Overigens moeten we in dit verband met metaforen waarin hoofden een hoofdrol spelen erg voorzichtig zijn zoals bijgaand Volkskrant bericht laat zien.

van-marwijk-in-hoofdrol-de-volkskrant-blendle

Boycot van en door wetenschappers vind ik geen goed idee. Wetenschap is een universele bedrijvigheid en communicatie over landsgrenzen heen is zelfs essentieel voor haar groei en bloei. In veel landen moeten wetenschappers onder abominabele politieke of economische omstandigheden hun werk doen, en iedere steun van buiten is daarbij welkom. De vraag is echter of de King Saud University wel het doel heeft samenwerking te bevorderen. Beide Amerikaanse collega’s hadden naar eigen gevoel niets kunnen bijdragen aan het onderzoek aldaar, behalve hun publicaties op basis van elders uitgevoerd onderzoek, en hun prestige als Highly Cited Researchers.

Is dat voldoende rechtvaardiging om op het verzoek in te gaan?

                                    Waarom ouder worden?
Datum: 16 oktober, 2016.
In het Nederlands is deze titel ambigu maar het is de letterlijke vertaling van de bespreking van Gopnik’s boek over de ouder als tuinman of als timmerman. Dat boek besprak ik enkele weken geleden op deze blog naar aanleiding van Dick Swaab’s ‘Creatieve brein’. Nu is er een uitgebreide en uiterst kritische bespreking van Gopnik’s ‘The gardener and the carpenter’ verschenen in the New York Review of Books, zie:

why-be-a-parent_-_-by-marcia-angell-_-the-new-york-review-of-books-gopnik-review

In deze bespreking laat Angell zien dat tuinman en timmerman beiden stromannen zijn (overigens in het Nederlands allemaal mannelijke metaforen voor ouders). De werkelijkheid is dat de meeste ouders in de opvoeding een mengvorm van tuinieren en timmeren gebruiken om hun kinderen bij te staan en soms te sturen in hun ontwikkeling. Waar kinderen misschien overmatig gestuurd worden is bij de voorbereiding op en begeleiding in het onderwijs. Succes in het onderwijs bepaalt de kansen van kinderen op de arbeids- en huwelijksmarkt, en moderne ouders hebben er bijna alles voor over om dat succes mogelijk te maken. De kloof tussen (bijna) arm en (super) rijk is in de Verenigde Staten en elders gegroeid en voor velen aan de onderkant onoverbrugbaar geworden. Dat maakt ouders onzeker over de toekomst van hun kinderen, waardoor de balans tussen tuinieren en timmeren soms doorslaat naar een sturende aanpak.

Het is goed om te zien hoe opvoedingswetenschap in een breed gelezen tijdschrift als de New York Review of Books uitgebreid aan bod komt.

                                    Gehechtheid in Beijing
Datum: 12 oktober, 2016.
Vorige week was ik illegaal in Beijing: mijn instituutsdirecteur, Eric Fischer, gaf (nog) geen toestemming, eerst omdat hij een vakantietrip vermoedde, daarna omdat het nut ervan voor het Leidse Instituut Pedagogische Wetenschappen hem niet duidelijk was.

Jarenlang heb ik uitnodigingen afgeslagen om naar China te komen en er voordrachten en workshops te houden. De reis is nogal lang, meer dan 10 uur vliegen, trage grenscontrole, en dan nog met de auto van het vliegveld door het immense Beijing. Verder is de jetlag een belemmering. De vlucht naar China vindt ‘s nachts plaats en het dag-nacht ritme verschuift 6 uur, met slaapgebrek als gevolg. En dat alles niet alleen op de heenreis maar ook terug.

Maar China is een bijzonder land, niet alleen voor vakantiegangers maar ook voor gedragswetenschappers, en de ongemakken op reis meer dan de moeite waard.

Het land telt 1.4 miljard inwoners en miljoenen kinderen. De dominante gezinsvorm is bijzonder omdat doorgaans ook grootouders deel uitmaken van het primaire gezin dat vaak niet meer dan 1 kind telt. Door binnenlandse migratie van ouders van platteland naar de grote steden blijft een groot aantal kinderen achter bij de grootouders. De vraag is wat het betekent voor de ontwikkeling om enig kind te zijn en ver weg van de ouders door de grootouders te worden opgevoed.

China is een goed voorbeeld van een slechte onderzoekspraktijk in de pedagogiek en ontwikkelingspsychologie. De meeste studies vinden plaats in WEIRD landen: Western Educated, Industrialized, Rich, and Democratic countries (Henrich et al., 2010), en China is daarvan geen onderdeel. Naar schatting 90% van de wereldbevolking blijft daardoor buiten beschouwing, terwijl er toch de pretentie is dat het onderzoek en de theorieën wereldwijde geldigheid hebben.

Wereldwijde geldigheid is ook een nuttige hypothese maar moet wel telkens getoetst worden. Zo’n hypothese is dat gehechtheid een universeel verschijnsel is: ieder kind zou gehecht raken aan een beschermende opvoeder, en voorlopig wijst het schaarse onderzoek naar gehechtheid in China uit dat dit inderdaad ook voor dat land opgaat.
handbook-culture-chapter-3rd-edition-figure-1
Zie figuur handbook-culture-chapter-3rd-edition-figure-1-jpg
De figuur is uit het Handbook of Attachment, 2016, 3th Edition, hoofdstuk: Cross-cultural patterns of attachment (auteurs: J. Mesman, M.H. van IJzendoorn, A. Sagi). De figuur laat zien dat gehechtheid ook in China op de gebruikelijke wijze is verdeeld in veilige en angstige classificaties maar dat nog heel weinig bekend is over de relatie tussen sensitief opvoeden en kwaliteit van de gehechtheid, een kernhypothese uit de gehechtheidstheorie.

Probleem is dat door gebrek aan training de meeste Chinese studies naar gehechtheid gebrekkig uitgevoerd zijn, en eigenlijk is er maar 1 studie waarbij de metingen voor gehechtheid op verantwoorde manier zijn uitgevoerd (Archer et al., 2015). Cruciale vragen naar de relatie tussen sensitiviteit van ouders en grootouders voor hun kind en de kwaliteit van gehechtheid van dit kind blijven onbeantwoord, en ook experimentele interventies gericht op verhoging van de pedagogische sensitiviteit en verbetering van de band tussen kind en opvoeders ontbreken.

Er is dringend behoefte bij Chinese collega’s en hun medewerkers en studenten aan training door experts in toepassing van ingewikkelde meetinstrumenten zodat ze op termijn hun eigen varianten kunnen ontwikkelen en gedegen onderzoek opzetten naar vragen die vooral voor hun land van groot belang zijn. Vorige week heeft een groep van 15 hoogleraren, postdocs en promovendi intensief studie gemaakt van een centraal meetinstrument uit de gehechtheidstheorie —de ‘Strange Situation Procedure’ (Ainsworth et al., 1978).
SSP workshop China
zie foto china-ssp-workshop-october-2016

Het is de vraag of dit werk voor mij persoonlijk of voor ons Leidse instituut iets oplevert. Ik vermoed eigenlijk van niet. Toch was die opbrengst een criterium voor de instituutsdirecteur Eric Fischer om wel of niet zijn toestemming voor het werkbezoek te geven. Dat staat haaks op de gedachte dat wetenschap grenzeloos is.

De vliegreis naar Beijing begon overigens met machinepech. Het vliegtuig was al vertrokken toen de piloot constateerde dat er teveel kerosine werd verbruikt. Dat bleek te wijten aan een kapotte vleugel, reden om rechtsomkeer te maken, maar niet voordat een groot deel van de kerosinevoorraad was geloosd ten noorden van het prachtige eiland Schiermonnikoog, hopelijk bij wind vanuit het zuiden. Vier uur later vertrokken we weer. De landing in Beijing was onthullend: de stad lag onder een reusachtige grijze deken van smog en wat dat betekent voor de bewoners werd snel duidelijk. In de stad dragen veel mensen maskers voor de mond, en de lucht is inderdaad bijna verstikkend.

De bewoners zijn zich zeer bewust van de onhoudbaar slechte luchtkwaliteit die ook voor de gezondheid van kinderen een groot probleem moet vormen. Voorlopig is een werkbezoek aan Beijing niet aan te bevelen, laat staan daar een vakantie vieren. Onze instituutsdirecteur Eric Fischer hoeft niet bezorgd te zijn voor een snelle herhaling van deze illegale trip naar het verre oosten. Wie weet heeft hij intussen besloten post hoc zijn toestemming te geven, zo niet dan waren het toch nuttig bestede vakantiedagen, daar in China.

                                    Dick Swaab en het misverstand opvoeding
“Ik denk niet dat je kunt opvoeden” zei Dick Swaab in een interview in De Volkskrant naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek ‘Het creatieve brein’ (2016). Dit lijkt als twee druppels water op de stelling van Alison Gopnik in haar boek ‘The gardener and the carpenter’ (2016): opvoeden is onzinnig want ineffectief (‘parenting is a mug’s game’ loc. 397 e-Book, zie ook De Groene Amsterdammer over de vader als ubermoeder). Beide auteurs verbreiden een misverstand over wat opvoeding is, en beiden vinden opvoeding wel degelijk cruciaal –maar dan opvoeding van een bepaald type.

swaab-cover-creatieve-brein

Swaabs misverstand over opvoeding wordt duidelijk in hetzelfde citaat waarin hij beweert dat je niet kunt opvoeden, want hij stelt direct na die even boude als ongelukkige bewering eigenlijk precies het tegenovergestelde: “Wat je moet doen, is kinderen een warme, veilige, stimulerende omgeving geven waardoor ze de capaciteiten waarmee ze geboren zijn kunnen ontwikkelen”.

swaab-volkskrant-23-09-2016
Kinderen een warme, veilige en stimulerende omgeving bieden, waar hebben we dit eerder gehoord? Swaab ontpopt zich hier als een ware buikspreker van John Bowlby en Mary Ainsworth die al een halve eeuw geleden opperden dat niet sturen maar sensitief reageren op behoeften van het kind aan warmte en veiligheid, en aan ruimte voor verkenning van de omgeving centraal zou moeten staan in de opvoeding. En de afgelopen 3 decennia hebben pedagogen en ontwikkelingspsychologen de invloed van dat type opvoeding op de ontwikkeling van kinderen met een massa empirisch bewijsmateriaal aangetoond. Sensitieve opvoeding is een centraal onderdeel van de gehechtheidstheorie die de ontwikkeling van de band tussen kind en zijn opvoeders beschrijft en probeert te verklaren (zie Cassidy & Shaver, 2016).

bowlby-biography-darwin-cover

Dick Swaab is een groot bewonderaar van Charles Darwin, inderdaad veruit de belangrijkste gedragswetenschapper ooit, en het is misschien geen toeval dat Bowlby en Ainsworth de grondleggers waren van de gehechtheidstheorie –de eerste toepassing van Darwins evolutietheorie op ontwikkeling en opvoeding van kinderen. Swaab stelt in het Volkskrant interview ook: “Je kunt een kind op jonge leeftijd verwaarlozen en dat geeft permanent problemen”. Alweer is de overeenkomst met Bowlby’s werk opvallend. Dat werk begon met de bestudering van pedagogische verwaarlozing van kinderen in naoorlogse weeshuizen. In de laatste 10 jaar hebben gehechtheidsonderzoekers de desastreuze invloed van verwaarlozing op de fysieke groei en op de neurale, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen in tehuizen in detail beschreven. Juist dit onderzoek laat geen enkele twijfel: sensitieve opvoeding is cruciaal voor alle facetten van de kinderlijke ontwikkeling (zie McCall, Van IJzendoorn, Juffer & Groza, 2011).
vader-als-ubermoeder-de-groene-21-09-2016
Precies hetzelfde misverstand over opvoeding bij Swaab is ook te vinden bij Alison Gopnik met haar stelling dat opvoeden onzinnig is. Zij zet zich enerzijds sterk af tegen opvoeden in de vorm van sturen (de opvoeder als timmerman), maar tegelijkertijd is ze enthousiast over de gehechtheidstheorie en hoe daarin de invloed van sensitief opvoeden op de ontwikkeling van kinderen zichtbaar is gemaakt (de opvoeder als tuinier). Net als Swaab pleit ook zij voor opvoeden als het scheppen van een veilige en warme omgeving (‘a protected space’, loc. 379, eBook) waarin kinderen zich vrij voelen om nieuwe vormen van denken en doen uit te proberen en de omgeving te verkennen. En ook dat is natuurlijk opvoeden –zoals uitgebreid bestudeerd in de gehechtheidstheorie.
gopnik-cover-gardener-2
Gopnik haalt uit naar moderne ouders die menen dat hun kinderen maakbaar zijn en dat ze zorgvuldig stapje voor stapje in goede banen geleid en klaargestoomd moeten worden voor de steeds competitievere en ingewikkelder samenleving. Daarbij zouden ze te weinig ruimte laten voor de kinderen om zichzelf en hun omgeving te ontdekken en soms ook gewoon een beetje aan te modderen. Of dit beeld van de moderne ouder juist is of een karikatuur om een ‘lossere’ vorm van opvoeden te profileren staat nog te bezien. In ieder geval is het vinden van een balans tussen veiligheid en exploratie de kern van sensitief opvoeden, en die balans is misschien voor ieder kind anders, afhankelijk van zijn begaafdheden en temperament maar ook van de omgeving waarin het opgroeit. Dat is creatieve opvoeding en die is wel degelijk cruciaal voor het opgroeiend kind.

Literatuur

Cassidy, J. and Shaver, P.R. (Eds.), Handbook of Attachment, 3rd Edition. New York, Guilford Press.

Gopnik, A. (2016). The Gardener and the Carpenter: What the New Science of Child Development Tells Us about the Relationship between Parents and Children. London, the Bodley Head.

McCall, R.B., Van IJzendoorn, M.H., Juffer, F., Groza, V.K., & Groark, C. J. (Eds.) (2011). Children without Permanent Parental Care: Research, Practice, and Policy. Monographs of the Society for Research of Child Development.

M.H. van IJzendoorn
Leiden, Rotterdam 25 september 2016

                                    Tegen de wind in behangen (Piet Vroon)

Blog is de afkorting van weblog, ik wist dit niet totdat het internet (wikipedia) me uitsluitsel gaf. Dat tekent mijn digitale analfabetisme. In 2014 werden bijna 76 miljoen blogs geteld, gemaakt in WordPress. Dat tekent mijn overmoed om aan deze oceaan van blogs nog een druppel te willen toevoegen. Blogs kunnen dienen om informatie over te dragen, een dagboek bij te houden, de aandacht te vestigen op een misstand, product of dienst, of om een sociaal netwerk op te bouwen. Mijn blog is een beetje van dat alles, behalve het laatstgenoemde. Ik geef korte impressies van zaken die me bezighouden, vooral in de wetenschap maar ook in de marginalia van het wetenschapsbedrijf zoals het ‘management’ ervan. En wat het sociaal netwerk betreft: ik hou meer van echt werken dan van netwerken.

Piet Vroon was mijn voorganger als voorzitter van de afdeling waarbij ik inmiddels bijna 40 jaar werkzaam ben, Algemene en Gezinspedagogiek, Universiteit Leiden. Piet Vroon was een blogger voordat deze term bestond, met zijn wekelijkse columns in dag- en weekbladen. En hij was even beroemd als berucht vanwege zijn in vitriool gedoopte kroontjespen. Het fileren van misstanden in de wetenschap en het (universitair) beleid was een kolfje naar zijn hand. Hij was ook auteur van het geruchtmakende boek ‘Weg met de psychologie’ waarin hij toen, in 1976, al veel van de huidige kritiek op dit vak scherp verwoordde.

Vroon weg met de psychologieWeg met Piet Vroon

Mijn bewondering voor Vroons talent om in heel kort bestek een boeiend betoog te houden over een theorie of een analyse te maken van een recente ‘ontdekking’ was groot. Maar behalve op bestuurlijk vlak ben ik niet in zijn voetsporen getreden. Ik had de indruk dat hij te weinig onderzoek deed, teveel op het Nederlandse wetenschappelijke en publieke forum was gericht, en soms ook wel teveel rumineerde over de geringe betekenis van de gedragswetenschappen. “Tegen de wind in behangen” was zijn sombere typering van empirisch onderzoek naar menselijk gedrag. Een zeker flagellantisme was hem niet vreemd, net als het gebruik van de hyperbool als stijlfiguur.

Blog Vroon Flagellants

Inmiddels ben ik net als Piet Vroon toch wat pessimistischer geworden en minder zeker van mijn zaak. Natuurlijk, er zijn grote vorderingen gemaakt in het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen, en hoe deze ontwikkeling wordt beïnvloed door sociale, pedagogische en neurobiologische factoren. Vooral het ontstaan in de afgelopen decennia van een echt interdisciplinaire wetenschap van opvoeding en ontwikkeling is een intellectueel avontuur van formaat.

Toch is er ook nog steeds veel kaf dat het zicht belemmert op de harde korrels gedragswetenschap met blijvende waarde voor de samenleving. Soms lijkt het alsof dit kaf zich exponentieel vermeerdert terwijl echte kennis een meer lineair traject volgt. Dat schiet niet op, zeker niet als schaarse geldmiddelen en jonge talenten worden verkwist in ondermaats en dus nutteloos onderzoek (zie ook www.Opvoeding-Wetenschap.nl). Over kaf en koren in de gedragswetenschappen gaat dit blog bedoeld als persoonlijke noot bij Opvoeding&Wetenschap, en met een accent op constructief maar ook verkwistend werk dat verricht wordt in de (ortho-)pedagogiek, ontwikkelingspsychologie, en kinder- en jeugdpsychiatrie.

Rien van IJzendoorn
Leiden, Rotterdam, 9 september 2016